Ook de snavel van zowel mannen als poppen zijn vaak aanmerkelijk groter en langer dan van de andere soorten. Veren op de bovenrug sterk oranjegeel of roodoranje gevlekt, aan het einde zijn deze veertjes groen gezoomd. Hierdoor zijn ze niet zichtbaar, alleen in gevangenschap waarbij deze veren met de hand worden beroerd zijn deze geeloranje kleuren zichtbaar. Dit is eigenlijk het geval bij bijna alle ondersoorten van de haemathodus familie. Borst geel met oranjerode zomen op het einde van de veren. Onderdek vleugelveren hoog geel, soms met rode waas of oranjerode vlekken. Voorhoofd en wangen blauw, teugel groen.
Bloedvleklori, Trichoglossus h. capistratus, van het eiland Timor. Borst geel sterk met oranjerood vermengd, soms zo zwaar dat de gele grondkleur volledig wordt bedekt. Ondervleugeldekveren diep oranjerood, slechts zelden met smalle gele zomen, echter er zijn ook vogels bekend waarbij zowel borst en ondervleugeldekveren meer geel gekleurd zijn. Teugel blauw. Verder als fortis, mogelijk dat het blauw op de kop wat minder uitgebreid is.
Wetar of geelborstlori, Trichoglossus h. flavotectus, van het eiland Wetar en Romang. Even groot als de bloedvleklori. Lijkt op het eerste gezicht een tweekleurige lori nl. groen en geel. Alles wat bij de bloedvleklori oranje of oranjerood gekleurd is neigt bij deze ondersoort meer naar zuivergeel. Echter, net zoals bij de bloedvleklori's exemplaren voorkomen die vrij veel geel hebben, komen bij de flavotectus exemplaren voor die vrij veel oranje hebben. Maar voor beide ondersoorten geldt dat dit uitzonderingen op de regel zijn.
Persoonlijk vind ik de fortis het meest duidelijke afwijkende ondersoort, gezien de lengte, langere vleugels, grotere snavel en wat groenere kop met groene reugel. Al zijn er hier en daar ook weer uitzonderingen op. Een opmerkelijk verschijnsel is dat de wat grotere en langere snavel zowel bij de mannen als bij de poppen van Trichoglossus h. fortis niet vermeld wordt in de hedendaagse literatuur. Terwijl dit in het begin van de vorige eeuw in Nov. Zool. Vol.9 1904 door Ernst Hatert en Bechstein wel beschreven is. Resumerend: alle drie rassen kunnen erg op elkaar lijken; waarbij de capistratus en flavotectus nog het minst van elkaar verschillen. Aangezien ondersoorten steeds in ontwikkeling zijn kan het zijn dat in de loop van vele jaren isolatie de verschillen duidelijker worden. De ondersoorten met oranje cq geleborst vind ik moeilijker te onderscheide dan b.v. de groep van Mitchellori, Trichoglossus h. mitchellii, Forstenlori, Tichoglossus h. forstenii en Djampealori, Trichoglossus h. djampea, met hun overwegend rode borst. Bij deze groep kan de Forstenlori voor problemen zorgen. Deze kan weer erg veel op de Djampealori lijken. De dagelijkse literatuur, zowel boeken als tijdschriften, maakt het er ook niet gemakkelijker op. Vele ondersoorten worden hierin verkeerd benoemd. De stem van de vogels is hard en klinkt meer basachtig en niet zo schel als van de Groenneklori, Tichoglossus h. haemathodus, en de Lori van de blauwe bergen, Trichoglossus h. moluccanus. De roep van een Bloedvlek is duidelijk hoorbaar te onderscheiden van andere Trichoglossus soorten. Andere soorten van deze familie zijn tijdens het kwetteren moeilijk uit elkaar te houden. Hoe kunnen wij onze vogels raszuiver houden als bijvoorbeeld herkomst niet of moeilijk te achterhalen is. Het advies is dan natuurlijk zet de meest op elkaar lijkende vogels bijeen. Ook is het bijna zeker dat b.v. F1 vogels raszuiver, dit zijn vogels welke gekweekt zijn uit wildvangouders. De wildvangvogels zijn vaak als groepen geimpoteerd en verkocht aan liefhebbers welke hieruit een koppel hebben gezocht. De nakweek, de F1 vogels zijn dan raszuiver. Nagaan of iemand jongen heeft gekocht van een oorspronkelijk wildvangpaar is vaak wel mogelijk. Vanuit Indonesie worden hoegenaamd geen bloedvleklori's meer ingevoerd. In Nederland zijn het meestal vogels die vanuit Singapore zijn binnengekomen, dit betreft betreft zowel wildvang als nakweekvogels. Wildvang komt meestal binnen via zogenaamde verzamelplaatsenen daarom is de oorspronkelijke herkomstplaats niet meer te traceren.